In zijn artikel “Zo aardig is de kerk niet voor armoedzaaiers” (Trouw, 10 mei 2025) nodigt Matthias Smalbrugge de hedendaagse kerk en theologie uit om zich te buigen over de Januskop die de bijbel volgens hem heeft. Enerzijds kenmerkt de bijbel zich door een pleidooi voor het opkomen voor de zwakkere, anderzijds zijn er heftige scheidslijnen en ‘hiërarchieën’ tussen mensen in te vinden. Hij haalt er Kant bij om de kerk aan te sporen deze tegenstelling onder ogen te zien. Dat debat is uiteraard al lang gaande. In het zogenaamde ‘Monotheisme debat’ discussiëren theologen en bijbelwetenschappers al decennia (en eigenlijk al eeuwen) over de vraag naar het vermeende ‘intolerante’ karakter van de bijbel. De Egyptoloog Jan Assmann (1938-2024) heeft dit debat in de jaren 90 opnieuw aangezwengeld door te wijzen op de achterkant van de bijbelse exodus: mooi dat de bijbel afscheid neemt van een goddelijke, kosmische orde en zodoende de goede omgang met wees, weduwe en vreemdeling (de ‘arme’) vooropstelt, maar de prijs is een onderscheid tussen degenen die wél en degenen die níet aan deze nieuwe orde mee willen doen: tussen gelovigen en ongelovigen dus. En daar komen volgens Assmann ongelukken van.
Inderdaad kent het volmondige ‘ja’ dat in de bijbel jegens de mens klinkt, een keerzijde. Er klinkt ook een hard ‘nee’ tegen alles wat die menselijkheid bedreigt. Er wordt onderscheid gemaakt: niet zozeer in hiërarchische cirkels van ‘eigen volk eerst, en dan de rest’ zoals Smalbrugge in navolging van J.D. Vance beweert, maar tussen vertrouwen en wantrouwen, tussen de dienst aan God en afgodendienst.
Vanaf het begin van de bijbel tot diep in het Nieuwe Testament is een rode draad te vinden die telkens zegt ‘de grote zal de kleine dienen’: een radicale omkering van de Trump-ideologie van het recht van de sterkste. Omwille van die nieuwe orde van barmhartigheid wordt er ook een oordeel geveld over de wereld die vaak liever vasthoudt aan het comfortabele recht van de sterkste.
In onze oren klinkt de intolerante taal van het ‘nee’ in de bijbel hard en onaangenaam, maar een wereld zonder kritisch onderscheid kan ook niet volmondig opkomen voor de arme. De bijbel kent een oordeel, en misschien zelfs wel indelingen tussen mensen. Het is echter goed te bedenken dat die indelingen, bijvoorbeeld tussen gelovigen en ongelovigen, in de bijbel altijd weer relatief blijken: denk aan Petrus, of Paulus, of de ‘heiden’ Ruth of de hoer Rachab. De ‘hiërarchieën’ staan altijd weer op losse schroeven – vanwege dat grote ‘ja’ voor een nieuwe orde van barmhartigheid.
Het artikel van Smalbrugge laat óók zien dat we er met één gelijkenis niet komen, maar de héle bijbel, en dan met name de Hebreeuwse bijbel (het Oude Testament) nodig hebben om tot een evenwichtige christelijke theologie van de bijbel te komen.
Mirjam Elbers
